#705 Waarom een voltijdsbonus een slecht idee is

In de Volkskrant vandaag een stuk over een onderzoek van SCP. Dat eens deeltijd altijd deeltijd is. De discussie is aangezwengeld door de beoogde ‘voltijdsbonus’ om het personeelstekort op te lossen. Een Neoliberale climax nu alles om ons heen in elkaar lijkt te storten. Toch weer verzanden in een vorm van ‘meer is beter’. Terwijl de sleutel ligt in minderen. Voltijd werken is niet (voor iedereen) de heilige graal en voor een toekomstbestendige maatschappij waarin we de zorgvuldige balans met onze planeet weer terug vinden al helemaal niet. In minder werken liggen veel oplossingen. Wereldwijd (USA & UK bijvoorbeeld as we speak) vinden er niet voor niets experimenten plaats met een 4-daagse werkweek als ‘fulltime’. Eerste resultaten in veel sectoren (heus niet alle!) zijn veelbelovend. Behoud, of verbetering van productiviteit en meer tijd voor andere zaken in het leven, zo ook bijvoorbeeld: zorg voor en tijd met het gezin.

De focus ligt in het onderzoek van SCP op vrouwen die de zorgtaak vanaf het begin op zich nemen en dit blijven doen zodra die taak vanwege de leeftijd en mate van zelfstandigheid van de kinderen wat minder intensief wordt. Mannen worden hierin weggezet als automatische kostwinner. Een beetje oorzaak en gevolg. Je zou wat mij betreft ook vooral andersom kunnen redeneren. Dit is een systeem wat gecreëerd is. Zoals zovelen. En die systemen helpen ons als collectief te functioneren, maar het lijkt wijs om systemen die al decennialang aan slijtage onderhevig zijn bij het grofvuil te zetten. Vrouwen die van dit systeem los willen komen ervaren ontzettend veel sociale en maatschappelijke weerstand. Dat is ook ingegeven door een ervaring uit eerste hand, want ik heb mijn eigen vrouw hiermee zien worstelen.

Ik deed bijna twee jaar geleden namelijk iets wat vrouwen automatisch geacht worden te doen. Een paar maanden na de geboorte van onze zoon, terwijl onze oudste, onze dochter, ook pas 2 was en volledige zorg en aandacht nodig had, we aan huis gekluisterd waren vanwege Corona, ingegeven door onbalans in alle zorg voor die twee thuis én allebei te blijven werken, vanwege slaapgebrek omdat zorg ook ‘s nachts doorgaat, vanwege een mismatch met de ‘traditionele’ rolverdeling man/vrouw: ik nam ouderschapsverlof. Ik werkte een half jaar de helft minder (van vier naar twee dagen, ik werkte dus al ‘deeltijd’) om meer te kunnen zorgen voor de kids en een klein beetje voor het huis (want: dat deden we nog altijd samen, zij zelfs wat meer dan ik, dat veranderde maar weinig). En wat blijkt, ik word in die periode zowat op het schild gehesen. Alsof ik een held ben. Dat ben ik niet, nooit geweest en de opmerkingen die ik daarover kreeg toen, hebben me altijd innerlijk ineen doen krampen. Vooral omdat het voor mijn gevoel volledig andersom was. Mijn vrouw was de held hier. Zij zocht naar zichzelf tegen alle maatschappelijke constructen in. Sámen zochten we naar een wijze waarop de ouderrol ons allebei goed zou passen en niet slechts een van ons.

Mijn vrouw deed namelijk wat veel mannen zonder nadenken doen en werd kostwinner, maar bleef zich tegelijkertijd innerlijk verplicht voelen om het huishouden te blijven runnen. Terwijl ik daar tijd voor had. Ik ging de helft werken, maar kan achteraf concluderen dat ik beter helemaal had kunnen stoppen in die intensieve periode. Dat had in onze situatie nog veel beter gewerkt en had tegelijkertijd mijn plezier in werk an sich ten goede gekomen denk ik. Want dat ik ooit weer meer zou gaan werken stond aan het begin eigenlijk al wel vast. Nu had ik tijdens de verlofperiode van zes maanden vaak het idee dat ik aan alle kanten tekort schoot. Alles precies niet goed genoeg deed. Een gevoel wat werkende moeders dus wellicht zo’n beetje altijd hebben.

Normaliseer werkende vrouwen (voltijd en deeltijd) en zorgende vaders (voltijd en deeltijd). Het dogma van de zorgende vrouw en werkende man zit diep in onze samenleving, maar gaat steeds meer mank. Spastische bewegingen zoals nu, met iets van een voltijdsbonus, werken denk ik alleen averechts en zelfs in zekere mate discriminerend, maar zijn logische stuiptrekkingen van een bijna failliet systeem. De oplossing zit niet in stimulerende maatregelen die vrouwen bewegen naar meer werk, zonder vanaf het begin een maatschappelijke oplossing te bieden voor de zorgtaken. Maar juist in stimulerende maatregelen meer op te treden als een gezin in balans. In iedere levensfase van datzelfde gezin. Dat betekent dus ook stimulerende maatregelen voor vaders die meer willen zijn dan kostwinner en de gezellige speelkameraad in het weekend, maar zich ook gevangene van het systeem voelen. En dat betekent ook dat er altijd mannen én vrouwen blijven die deze rol wél heel goed past. Er is geen one size fits all.

Lees hier het artikel in de Volkskrant.

#704 Ziekenboeg

Van een buurtfeestje met lolly’s in de regen gisteren, naar een valse start deze ochtend. De oudste minimens lag al de hele nacht tussen ons in. Want: ziek. En als je ziek bent is het fijn om bij mama en papa te liggen. Hoewel ik ooit toch prima kon slapen met een minimens in bed, lijk ik dat inmiddels een beetje verleerd. De vorige keren deed ik geen oog dicht en ben ik dus ook maar op de bank gaan liggen om toch nog een beetje slaap te pakken. Misschien komt het omdat de jongste minimens het meestal te leuk vindt om überhaupt nog te gaan slapen en in de klim- en speelstand schiet bij ons in bed. Ook midden in de nacht. Dus na twee uur een beetje tevergeefs achter elkaar aan vangen en pogingen om de kleine Bokito tot rust te manen resulteren dan in een natuurlijke uitputtingsslag die ervoor zorgt dat hij na die tijd dusdanig moe is en weer terug naar z’n eigen bed kan. En wij elkaar en de wekker even aankijken en tot de conclusie komen dat we nog zeker drie kwartier kunnen slapen. Feest.

De oudste minimens had er de laatste keren een handje van om overdwars te gaan liggen, en met haar voetjes af te zetten tegen mijn rug. Nu lukt het haar nog niet om die kleine 100 kilo uit bed te krijgen op die manier, maar erg slaapbevorderend is het ook niet bepaald. Maar, de grootste reden dat ik er niet meer zo aan gewend ben is omdat het gewoon nooit vaak gebeurt, of überhaupt gebeurd is. Ik heb talloze nachten doorgebracht aan hun zijde, op hun kamer, op de grond, op een klein matrasje, op de stoel, overal. Maar nu slapen ze allebei prinsheerlijk in hun bedjes. Behalve dus als ze ziek zijn.

Ik stapte dus niet geheel fris en zeker niet fruitig uit bed. En de eerste fittie ontstaat aan de ontbijttafel, waar de jongste pertinent op de stoel van oudste wil en de oudste het daar absoluut niet mee eens is. Ik ben het met beide niet eens en zet de jongste met wat gechagrijn op zijn eigen zetel. Drama op de donkere zondagochtend. Tranen all over the place. Na dit heerlijke ontbijtje, wat voor mij uit niet meer bestaat dan een sloot donkerzwarte koffie, zetelen we ons op de bank. Want: ziek zijn is filmpjes kijken. Ook overdag. Dat was vannacht al even veiliggesteld door de oudste. Want dat soort dingen worden fijntjes opgeslagen in het collectieve minimensen-geheugen. En voor mij ook prima, want ik ben zelf ook niet vooruit te branden. Kan moeilijk aan die tweeënhalve biertjes liggen van tijdens dat zelfde lolly-feestje gisteren. Zodra de sous-chef beneden is besluit ik toch maar weer een corona-testje tevoorschijn te toveren, want er is wel erg veel snot opeens ook.

Het duurt niet lang voor de twee streepjes in beeld komen. Het is weer een keer raak. Past wel bij de overgang naar de herfst en deze toch al ‘ziekenboeg-zondag’. De rest van de dag schijnt de zon buiten en binnen gelukkig ook. Peppa-big-marathons, spelletjes, boekjes en een gezamenlijk middagdutje met alle huisbewoners. Ik uit voorzorg deze keer toch maar even op de bank.

#703 Levensgenieter

De sous-chef en de oudste minimens waren samen op vakantie afgelopen weekend. Het ging er de hele week al over. De kleine grote was er vol van. Ze ging met mama op vakantie. En dat ging ze inderdaad! Twee nachtjes slapen in een heel groot vakantiehuis waar ook andere mensen in slapen die op vakantie zijn. Een hotel. Haar enthousiasme was aandoenlijk. En aanstekelijk. Ik werd er zowaar af en toe een beetje jaloers van. Ik wil ook wel met mama op vakantie.

Vrijdag stoven ze de oprit af. Hun vrouwenweekend tegemoet in Nederlands kustgebied en het nodige peuterentertainment vooraf uitgekiend en geprogrammeerd. Net als de glutenvrije diner-opties. Een sterk staaltje planning van de sous-chef. Mijn weekend was minder dichtgetimmerd. Mijn mannenweekend. Naast die bijdehante dame die tegenwoordig zonder zijwieltjes fietst, banjert er hier in huis natuurlijk nog zo’n Miniatuur-Bourgondiër door het huis. Dat maakt er dus twee. Een grote en een kleine. We hadden het rijk voor onszelf het hele weekend en namen het hoe het kwam.

Dat betekende eerst een barbecue op vrijdag. Maar, de uitsmijter stond gepland voor de zaterdagavond. Sharp om 17:00 had ik gereserveerd bij de favoriete lokale Italiaan waar hij nog niet zo heel lang geleden liever mijn pizza salami naar binnen schoof dan zijn eigen pizza bianca. Dat was hem te karig. Op de fiets, op de plek van zijn zus, achterop, en met de zonnebril van zijn zus togen we naar het etablissement. Hij was het achterzitje nog niet af of stoof luidkeels voor mij uit het voorportaal van het restaurant in ‘Pizzaaa eeeeeeteeen!’ Recht op de plek af die hij nog kende van de vorige keer. Zoals het een goed stamgast betaamd. Ik mocht wel naast hem op de bank komen zitten zei hij, een kinderstoel had hij niet nodig.

Ik bestelde een IJwit, een glas water voor meneer en twee pizza’s. Een gesprek over hoe de de pizza’s gemaakt worden in de grote oven, zijn glas water wat over tafel gaat, een klein amoureus uitstapje te voet door de hele tent omdat er een vrouwachtige van zijn lengte met een schattig staartje en haar ouders binnen treedt volgen. De pizza’s arriveren en hij brand zoals het hoort bij de eerste hap zijn kleine smoelwerk. ‘Beetje warm!’. Ja, beetje warm, het is een pizza, net uit de oven, wat had je dan verwacht!?. Ik blaas met hem mee en wacht op zijn seintje ‘Ja kanne wel!’. Zodra dat gegeven is genieten we van onze Italiaanse lekkernijen. Ik mag een hapje van hem en hij wil wel een hapje van mij.

Het gevaarte gaat voor driekwart het kleine lijfje in en er wordt in een lijn door netjes gevraagd om ijs aan de serveerster die hem nog herkende van de vorige keer. ‘Mag ik ijsje?’ ‘Dankewel!’ En een ijsje krijgt hij. Wat er dan moet gebeuren hoef ik ook al niet meer te zeggen, want hij pakt mijn portemonnee en loopt alsof de wereld van hem is richting de kassa en meld zich daar: ‘Ikke talen?’ En zo gaat het. Hij haalt de juiste pinpas uit de portemonnee en legt deze (voor de tweede keer, ik was iets te snel zelf, tot groot ongenoegen van meneer) op de pinautomaat. Betaald! Op naar huis, althans, dat is mijn plan. Maar niet voor er nog luidkeels lachend het hele horecaplein buiten over wordt gerend en ik hem met enige overredingskracht achter op de fiets tot bedaren moet brengen.

Twee jaar is deze levensgenieter. Hij stelde nog net niet voor om nog een afzakkertje te doen bij de aangrenzende kroeg.

#702 Nu doe ik het toch

Dit verhaal zit al een tijd in mijn hoofd. Het verandert dagelijks een beetje. Aanvullingen, wat nieuwe, of net wat andere inzichten. De kranten en andere media staan er namelijk bol van. Iedereen vindt er wat van. Feiten, meningen, alles loopt door elkaar. En niet alleen die abstracte soms wat verder-van-mijn-bed verhalen op NU.nl of weer een zoveelste column in De Volkskrant. Ook in mijn woonplaats, mijn gemeenschap, mijn leefomgeving, mijn regio, noem het hoe je het noemen wilt, vinden mensen er wat van. Toch spreek ik er direct weinig mensen over. Bewust niet, ik houd me stil. Waarom niet? Ik heb meestal mijn mening wel klaar. Nou, uit angst volgens mij. Mooier kan ik het denk ik niet maken.

Ik woon in gebied met veel vlaggen die op zijn kop hangen en zakdoekjes die aan spiegeltjes wapperen. Een gebied met veel mensen die zich identificeren als boer en dit vaak ook daadwerkelijk zijn. Harde werkers. Mooie mensen met een groot hart die altijd klaar staan voor anderen als er hulp nodig is. Fruittelers met name, maar ook alle andere varianten. Toen ik 13 was plukte ik voor het eerst bessen als vakantiewerk, wat ik veel zomers zou blijven doen. Later deed ik allerhande klussen in appelboomgaarden en reed ik eens per ongeluk een oude tractor half de sloot in. De plaatselijke Rabobank stond altijd klaar om lokale verenigingen en evenementen te sponsoren, en de wereld was voor mij nog overzichtelijk en vooral mooi.

Dat is hij eigenlijk nog steeds, maar toch heb ik mezelf angst aangepraat. Angst om een ander geluid te laten horen. Ik stoor me namelijk aan de vlaggen op de kop. Ik stoor me aan de zakdoeken. Ik stoor me aan hooibalen op snelwegen in de fik. Ik stoor me aan uitgestorte mest op plaatsen waar anderen weer mee gedupeerd worden. Nou ja, ik stoor me dus aan dat soort dingen, het is duidelijk. Niet omdat ik geen begrip heb voor degene die zich daadwerkelijk in hun voortbestaan bedreigd voelen. Maar wel omdat het eenzijdige, door populistische politici en agro-miljardairs en veevoerproducenten gekaapte verhaal veel meer nuance verdient, en op veel fronten simpelweg onwaar en gevaarlijk is. Soms wordt klimaatverandering gewoon ontkent. Vaak wordt stikstof op een hoop gegooid met CO2 of andere troep. Vaak iets als ‘Ja maar kijk dan wat ze in China allemaal doen!’ Vaak wordt gedaan alsof dit verhaal van gisteren op vandaag ontstaan is, terwijl een makkelijke zoektocht via de Googles en nieuwsarchieven al decennialang hetzelfde verhaal naar boven laten komen: ‘Er moet iets gebeuren.’

Wat daarin ook naar boven komt zijn wat andere minder mooie eigenschappen van de Nederlandse landbouwsector als geheel. Door overheid, banken en grootkapitaal aangedreven jarenlange schaalvergrotingen en doorgeslagen monocultuur en bijbehorende constante genetische manipulatie. Kunstmestbergen, antibiotica, krachtvoeding en supplementen als noodzakelijk kwaad om de uitstrekte en uitgeputte velden en bijna machinale koeien keer op keer een topproductie te laten draaien, lijkt me op de lange termijn niet houdbaar. Onder het masker ‘zonder de boer geen voer’ wordt een beeld geschetst dat we als consument niet zonder zuivel of vlees zouden kunnen. Nu schreef ik al eerder wat over mijn liefde voor vlees, dus je hoort mij niet roepen dat alles volledig in de ban moet, integendeel. Alleen wanneer je leert en leest dat het overgrote deel van de Nederlandse landbouwopbrengsten geëxporteerd worden, niet in de laatste plaats als voeding voor weer andere dieren, begin ik mezelf toch af te vragen of dit allemaal wel klopt. Nederlanders zijn daar trots op, ik was (of ben) dat misschien ook wel. Het ‘Waar-een-klein-landje-groot-in-kan-zijn’ narratief. Dat heldenepos. Dat past de boeren natuurlijk ook wel, die rol, want velen zijn dat ook gewoon.

Mij is de afgelopen maanden echter wel duidelijk geworden (en eigenlijk een paar jaar terug al, toen een tractor van formaat er een paar deuren van een provinciehuis uitreed), dat de discussie niet op een eerlijke manier wordt gevoerd en dat er simpelweg geweld wordt gebruikt om deze halve verhalen kracht bij te zetten. Er zijn vele schuldigen in dit verhaal, niet in de laatste plaats onze overheid, maar het zou de boeren sieren ook bij zichzelf te rade te gaan en te kijken of ze echt niet nog ergens een spiegel hebben op hun erf. Die erven die een onevenredig groot gedeelte van ons kleine landje beslaan en op een spoor van uitputting blijft zitten. Ik kan me er geen enkele voorstelling van maken wanneer de voortzetting van een familiebedrijf wat in generaties is opgebouwd in zijn bestaansrecht wordt bedreigd. Dat lijkt me beangstigend. In een lijn door stellen dat er dan überhaupt geen toekomst meer is voor volgende generaties, de kinderen, lijkt me overtrokken. Ik hoef hier alleen maar voor naar mijn eigen kinderen te kijken: geen idee wat die voor beroep uitoefenen over een jaar of twintig. Hebben zijn dan ook geen toekomst?

Mijn kinderen (en ikzelf trouwens ook) groeien op, of zijn opgegroeid in weelde. Luxe. En dan bedoel niet de protserige over-de-top luxe van profvoetballers of popartiesten, maar doodnormale luxe. Simpele luxe, waar je snel blind voor wordt. Iedere dag te eten. Eten dat altijd beschikbaar is. Gewoon om de hoek, bij slager, bakker, groenteboer, supermarkt, of tegenwoordig doodnormaal: gewoon thuis op de stoep. Dat is voor ons de standaard geworden. Mede mogelijk gemaakt door de (intensieve) landbouw, door de boeren dus. Dat besef is er meer dan genoeg. De connectie met waar al dit voedsel vandaan komt, hoe ontzettend veel werk en energie daarin gaat zitten voor dat die blauwe of gele bestelbus bij je voor de deur staat, dat zijn we met zijn allen een beetje vergeten. Meer, meer, meer, meer. Meer is beter. En het liefst ook nog een beetje sneller. Dat is al jarenlang het devies. Niet in de laatste plaats van de Rabobanken en veevoederproducten van deze wereld. Dat daarin ook wat andere belangen spelen dan alleen zo snel mogelijk zoveel mogelijk van dezelfde producten produceren voor een liefst zo groot mogelijk deel van de wereld, dat is wat al decennialang weggemoffeld, weggelobbyd, of weggeprotesteerd wordt. En in die belangen vind ik ook de toekomst van mijn kinderen.

Het systeem waar we met zijn allen in verstrikt zijn geraakt is geen natuurwet. Dat is niet de standaard waar nooit meer vanaf geweken kan worden. Wij mensen leven bij de gratie van voortschrijdend inzicht. De wereld is geen statische omgeving, hij is continu in verandering en (voorlopig) mogen wij er leven en gebruik van maken. Kolenmijnen zijn al een tijdje geleden gesloten, vrouwen hebben toch nog niet zo heel lang geleden stemrecht gekregen, dieren hebben rechten gekregen, slavernij is afgeschaft, tabak wordt niet meer verkocht als medicijn. Alles verandert, continu. Nieuwe principes leiden tot nieuwe inzichten, nieuwe inzichten leiden tot nieuwe regels en die nieuwe regels worden gevangen in overheidsbeleid. Dat is hoe we het hier in ons democratische landje met elkaar hebben afgesproken. Zo ook nu. Ik zal de laatste zijn die het altijd roerend eens is met overheidsbeleid, integendeel. Maar, het met elkaar oneens zijn leidt altijd tot oplossingen, zolang men bereid is te blijven bewegen. Ik las deze week ergens een titel van een interview met een schrijver (zijn naam ben ik vergeten en het artikel heb ik niet gelezen, noem het maar lui): ‘Wanneer iedereen het eens is, gebeurt er geen zak!’.

Dit lijkt me waar. En dus daarom, ondanks de eerdere angst voor reacties, nu toch dit stuk. Misschien ook wel als uitnodiging. Ik ben het niet eens met de boeren die zich op dit moment zo halsstarrig vasthouden aan een grijsgedraaide plaat. Maar ik zou best graag een keer praten over waarom zij dat wel doen, zonder de angst om mijn afwijkende kijk ook kenbaar te maken. Lijkt me top, koffie of een biertje erbij. Gewoon, omdat we dezelfde omgeving, dezelfde wereld delen. En onze kinderen ook.

#701 Ik wil wel proeven

De jongste van de twee uitvreters zit mokkend tussen de bank en de vensterbank in. Zijn verwilderde en tikkeltje onhandelbare pruik steekt net boven de bank uit. Ik kan hem nog net zien vanuit de keuken. Ik kan een kleine grinnik niet onderdrukken, maar probeer toch wat strengs de kamer in te slingeren. Voor ik dat kan doen hoor ik nog een keer ‘Nee, ik wil niet eten!’ mijn kant op komen. Vol emotie dat tweejarige stemmetje.

Zijn zus zit bij mij aan de keukentafel het schouwspel gelaten te aanschouwen. Het lijkt haar allemaal wat lang te duren, want zij heeft juist wel zin om te eten. Sinds kort heeft ze de kant en klare Olvarit maaltijden, of welk merk dan ook, weer ontdekt en aangezien er hier ook veel van glutenvrij zijn en ze mooi snel en zonder gezeur wat nieuwe smaken kan (her)ontdekken, zijn deze toegevoegd aan de wekelijkse diner-carrousel. Wel bij voorkeur koud (!), dus koken wordt zo echt een fluitje van cent. Het doet soms wat pijn aan mijn kook-hart. Al is het ook wel makkelijk wanneer ik in m’n uppie in huis ben met die twee oermensjes.

Vanavond staat er linzen, wortel en rundvlees op het etiket en ik schep de brei voor de vorm nog even over in een bakje. Ze lepelt het in no-time op en wil dan ook nog wel wat proeven van de quinoa die ik haar inmiddels onder protest aangeschoven broertje (het was toch wat saai alleen daar naast de bank) heb voorgeschoteld. Die zijn maaltijden liever wel warm geserveerd krijgt. Ze wil enthousiast proeven, want ik heb haar net wat uitgelegd over smaakpapillen, een tip van de sous-chef (die zelf ergens in een restaurant aan haar eigen smaakpapillen werkt). Aan haar ogen te zien tijdens mijn relaas daarover heb ik daarmee een eerste zaadje gepland want ze komt er na wat happen lauwwarme quinoa meteen op terug ‘Ik heb geproefd met mijn tong papa!’

Ondertussen is de kleinste flintstone gestopt met lepelen uit zijn bakje en zit er wat nors naar te kijken, alvorens hij het met een duw naar het midden van de tafel sjoelt. Toch een overwinning die paar happen. Daar zag het net niet naar uit. Die heeft liever iedere dag pizza.

#700 Polariteit

Gister werd me gevraagd of ik nog veel schrijf. Mijn hoofd schiet dan meteen in de veroordelende modus, en het welbekende stemmetje roept dan ‘Neeeee, veel te weinig!’ Dat is dan niet wat er uit mijn mond komt. Meestal is dat een antwoord als ‘Ja wel weer steeds meer’. Wat ook gewoon waar is, maar niet zo voelt. Ik vind mijn schrijftempo op dit moment veel te laag. Ik heb immers ambities.

Valse ambities waarschijnlijk. Wat niet wegneemt dat ik deze plaats, de plaats waar ik mijn woorden publiekelijk maak, wat vaker kan opzoeken. Ooit maakte ik hier afspraken met mezelf en lazen er mensen mee. Dus werd het echt. Geen idee of ik dat nu weer ga doen, maar het voelt alsof het eraan zit te komen. Er is dusdanig veel om over te schrijven namelijk, dat ik vaak overweldigd ben door de gratis stroom van onderwerpen om aan te grijpen dat ik meestal maar besluit het er helemaal bij te laten zitten. Of ik ben gewoon bang. Bang voor weerwoord. Kritiek. Noem het hoe je het noemen wilt. Het is er allemaal.

Schrijven helpt me ook mijn eigen ideeën en kijk op de wereld helderder te krijgen. Al schrijvend, soms in gesprek met mezelf, loop ik tegen dingen aan die ik nog zo zag, of nog niet zo wist. Het stomme is dan vaak wel, dat wanneer ik daar bewust naar op zoek ben, een verhaal nooit die wending neemt. Zoals nu. Geen idee waar ik heen wil met dit lapje tekst, maar er stromen ook geen mooie zinnen een bepaalde richting uit. Er worden geen paden betreden die ik nog nooit gezien heb. Gisteren ging een gesprek over onze comfort zones en dat we daar eigenlijk helemaal niet uit hoeven. Dat is waar. Maar ook helemaal niet waar. En wie bepaald eigenlijk wat die comfort zone is. Dit wat ik hier doe, doe ik inmiddels al jaren, maar toch voelt het nog iedere keer oncomfortabel wanneer ik op de knop ‘Publiceren’ duw en een stukje van mijn persoonlijke hersenspinsel de wereld in slinger.

Valt deze hobby, deze bezigheid dan binnen de comfort zone (want: ik doe het al jaren), of valt deze er buiten (want: iedere keer opnieuw een beetje een schijtlijster). Ik denk allebei. Ze houden elkaar in balans. Ze zijn er gewoon. Zoals eigenlijk niets zwart wit is. Alles is allebei. Toch nog ergens aanbeland in deze 700ste. Niet ver meer van de 1.000 dus (en tegelijk nog heel ver). Meteen een mooi doel.

#699 Iets wat ik kon doen

Ik kwam thuis aan op de fiets. Die zette ik meteen in de schuur. Die stond al open want op woensdagen wordt er meestal geklust. Door opa. Ik was als eerste terug van ons bezoek aan het ziekenhuis om de hoek. De sous-chef en ik waren daar met de oudste minimens. Die heeft coeliakie en het was tijd voor een check. Uitslagen van het inmiddels al zoveelste bloedonderzoek waren binnen en ze mocht weer even op de weegschaal en langs de meetlat. In een jaar tijd is ze getransformeerd van een bijna vel over been en teneergeslagen schim van een peuter, naar een goed gevulde flierefluiter vol energie en constante eetlust. Fijn om te zien dat alle lijntjes en grafieken die ombuiging ook laten zien op het computerscherm van de kinderarts. We mogen nog wel een keertje extra terug de komende maanden, want een van de waardes van haar schildklier waren niet helemaal in de haak. Niks van te zeggen nog. Keertje extra bloed prikken en checken. So be it.

Terwijl ik uit die situatie stap en vanuit de schuur naar binnen wil lopen, zie ik een doosje staan op de tuintafel bij de achterdeur. Niks bijzonders, daar worden wel vaker pakketjes neergezet door de bezorgers die hier voor een dichte deur staan, of door ons zelf, uit luiheid of omdat we eigenlijk met iets anders bezig zijn terwijl we het pakketje aannemen. Ik zag het bruine kartonnen doosje staan en wist direct wat het was. Sterker nog, ik had op de fiets al gehoopt of verwacht dat het er zou staan. Afgelopen maandag heb ik de bijzondere inhoud besteld en had het online bestelformulier al aangegeven dat ik het woensdag, vandaag dus, thuis kon verwachten.

Ik maak het open, vol nieuwgierigheid naar of het echt zo geworden is zoals ik het heb ontworpen en afgestemd met de eigenaar en haar tolk. Vijftig kaartjes zitten erin het pakketje. Mooie kwaliteit vierkante dubbelgevouwen kartonnen kaartjes met daarop de aankondiging van de geboorte van een tweeling. Twee jongetjes. In Nederland bekend als een geboortekaartje, ik hoef dit verder niet uit te leggen. Hier is deze traditie alom bekend. En dit is niet overal ter wereld zo. Dit wist ik niet toen ik met het idee liep en voorstelde om, net als voor onze eigen twee mini’s een dergelijk kaartje te ontwerpen en te laten drukken voor iemand die dat misschien wel zou kunnen gebruiken. Gewoon omdat ze hier pas net is. Net woont. In dat zelfde ziekenhuis waar ik net vandaan kom. In een leegstaande vleugel van dat gebouw. In een land dat ze voorheen waarschijnlijk alleen kende van een keer een verdwaald nieuwbericht op de nationale televisie, of van een topografielesje op de basisschool. Geen idee, ik heb het haar nog nooit gevraagd.

Ik heb haar eigenlijk alleen maar gevraagd wat voor spullen ze nog kon gebruiken voor haar twee aanstaande jongens. Kleding, hydrofiele doeken, speelgoed, maxi-cosi’s, draagzakken, dat soort werk. Die spullen hebben we een tijdje terug onder onze vrienden, kennissen en familie allemaal verzameld en daar gebracht. Ze was er erg blij mee. Voor ons een kleine moeite. En later dus dat idee van een geboortekaartje. Dat wilde ze wel, dat leek haar erg mooi! Toen ze hier op een zaterdag ergens in mei of juni, ik weet het niet precies meer, hier bij ons thuis op de bank zat samen met haar tolk, begreep ik pas dat ze compleet onbekend was met dit fenomeen. Het geboortekaartje. In haar land was dat geen traditie, geen gebruik. De sous-chef haalde daarop een tas met alle bewaarde geboortekaartjes van onze dierbaren van de afgelopen jaren uit de kast en ze bewonderden ze allemaal een voor een.

Ze wist wat ze wilde, subtiel de Oekraïense vlag en de Nederlandse vlag ergens verwerkt, had een aantal voorbeelden die ze mooi vond en ik dus kon aan het werk. Een ontwerp maken aan de hand van die wensen, wat voorbeeldtekst erin voor als de tweeling straks echt geboren zou zijn en de kaart verder gevuld kon worden met alle juiste informatie. Daarna was het wachten. Een maand geleden werden de boys geboren. Gezond en wel heb ik vernomen. Het contact gaat altijd via haar tolk. De welkomsttekst wilde ze pas schrijven zodra ze de jongens had gezien. Ik begreep dat. Deze tekst heb ik nog verwerkt, in twee talen, en nu zijn ze er dus. De kaartjes voor een tweeling geboren in een vreemd land, een vreemde stad, met mensen die een vreemde taal spreken. Hun vader nog altijd in Oekraïne. Net als ik een vader van jonge kinderen. Een vader op afstand. Een vader vol onzekerheid over zijn eigen leven, in de wetenschap dat zijn vrouw ongeveer 2.000 kilometer van hem vandaan het leven heeft geschonken aan twee van zijn zonen. Broertjes van zijn dochter en andere zoon.

Het maakt me klein en nederig dat ik dit heb kunnen doen. Ik kan alleen maar hopen dat het iets bijdraagt. Iets kleins. Een nieuwe traditie misschien wel? Of misschien wel niks. Ik weet het niet. Ik zal zo een berichtje sturen dat de kaartjes binnen zijn en afstemmen wanneer ik ze kan komen brengen. Daar in dat ziekenhuis hier om de hoek. Dat ziekenhuis met zijn vele functies. Het ziekenhuis waar het ene kind komt voor regelmatige bloedcontroles en dan met haar vader en moeder weer naar huis fladdert. Het ziekenhuis waar het andere kind geboren wordt, samen met zijn broertje, zonder enig idee of ze hun land, hun vader, hun vaderland ooit zullen zien. Ik hoop dat wij met zijn allen, degene die alles hebben, dat af en toe kunnen blijven inzien en van daaruit iets kunnen ontwaren wat we voor anderen, die dat misschien wat minder, of wat veel minder hebben, kunnen betekenen. Welkom jongens! Welkom in de wereld. Welkom in de tijd.

#698 Miniatuur wetenschapper

De dochter van drie zit op mijn linkerbovenbeen. Ik zit op de grond in haar slaapkamer. Ze duimt. Ze friemelt wat aan haar gele knuffeldoekje. Ik lees voor uit een door haar gekozen boekje. Het is bedtijd. Vandaag viel de keuze op ‘Glutenvrij feestje’, over Teijn, die net als de oudste minimens zelf niet zo goed tegen gluutjes kan. En dat je dat best stom mag vinden soms. En dat je dan toch feestjes kunt geven.

Halverwege het verhaal, wat ze inmiddels beter kent dan ik, merk ik dat haar aandacht verslapt. Hoe vaak ze een verhaaltje ook heeft gehoord, hoe vaak ik het ook voorgelezen heb, op evenzoveel verschillende manieren, ze zit er altijd helemaal in en voorziet het waar nodig van commentaar of probeert iets nieuws te ontdekken. Aan hoe ik het lees, de toon, de snelheid of soms een woord wat er niet hoort. Aan de prenten. Of middels een koppeling aan iets anders wat ze inmiddels geleerd heeft. Een verhaal is nooit hetzelfde. Een situatie is nooit dezelfde. Een rivier is geen moment hetzelfde. Heraclitus wist dit al.

Door deze volle aandacht merk ik het op mijn beurt dus direct als er iets aan de hand is. Nu duurt het meestal even voor ik door heb wat dat ‘iets’ dan is, maar nu kwam het snel aan het voetlicht. Ze keek naar mijn T-shirt. Een vrij nieuw, niet zoveel zeggend, dertien in een dozijn, blauw wit gestreept H&M’tje. ‘Jouw shirt is toch wit en blauw?’ zegt ze verbaasd. Dat klopt denk ik, dat is hij ook, maar ik wil niet bijdehand doen, dus ik wacht nog even wat er nog meer komt. ‘Nu is hij geel met blauw’, volgt er al snel.

Ik kijk er eens naar en ze heeft gelijk. Door de lichtinval van haar kroonluchtertje aan het plafond zijn de witte strepen van mijn shirt deze keer vele malen geler dan ik ze tot nu toe zag. Omdat ik nooit de beroerdste ben om dingen eens goed te mansplainen leg ik haar uit dat wit soms een beetje een andere kleur kan worden door lampen of door de zon. Zoals nu. Ze kijkt me daarop aan met een blik alsof ik zojuist gezegd heb Peppa Pig eigenlijk een beer is. Een inhoudelijke reactie blijft verder uit en we lezen weer verder over Teijn en zijn gluten.

Nog geen bladzijde verder staat ze opeens op, loopt naar de lichtknop en doet haar lamp uit. Het is wat donker nu, maar wel natuurlijker verlicht. Ze loopt terug naar mij en onderwerpt mijn shirt nogmaals aan een grondige inspectie. Ze knikt eindelijk instemmend met mijn hypothese en antwoordt op bevestigende toon ‘Zo, nu is hij weer wit!’. Onderzoek afgerond. Ik kijk wat naar haar terwijl ze de lamp weer terug aan gaat doen en daarna alsof er niks is gebeurd weer plaatsneemt op mijn schoot. Ik kijk van boven wat naar de miniatuur wetenschapper van drie die inmiddels weer geniet van haar duim en haar knuffeldoekje en vraag me af wat we allemaal nog meer samen gaan onderzoeken!

#697 Vlees eten

Vlees. Ik eet het graag. Ik geef het ruiterlijk toe. Ik eet er ook veel van weer op het moment. Er is een periode geweest dat ik er veel bewuster mee omging dan dat ik nu doe. Het lijkt wel schranzen soms. Of is het dat ook gewoon? Waarschijnlijk wel. Onze vriezer ligt vol met biologisch vlees. Heel bewust (ja ik weet het, dit is niet per se beter voor de planeet, maar wel heul heul veel beter voor het dier in kwestie). In een normale week (bestaan die nog?) betekent dat dus dat ik er een avond van tevoren of op de ochtend een pakje met twee stukjes vlees van een koe, kip of varken uithaal. Nu is ons leventje vaak wat gehaast, lopen de dagen net iets anders dan vooraf bedacht, ontstaan er spontane ideeën die andere plannen in duinen laten vallen of ben ik soms gewoon ronduit lui.

In al die gevallen betekent het vaak, even snel nog iets halen bij de supermarkt, de thuisbezorgd-app aanslingeren, of aanschuiven bij een andere grillmeister. Zeker tijdens drie weken vakantie en de nasleep daarvan. Heerlijk natuurlijk, maar voor je het weet vreet je wekenlang alleen maar meer vlees in plaats van minder en wordt dit dus snel het nieuwe normaal. ‘Zoek het dan helemaal maar uit’ hoor ik een duiveltje op een van mijn schouders dan al snel roepen en voor ik het weet ligt de koelkast weer vol met de goedkoopste bereidingen van afvalvlees die onze Nederlandse cultuur rijk is en vreet ik het plastic van de leverworsten er nog net niet bij op.

Ik weet van de periodes in het verleden dat het wel lukte dat ik prima met iets minder dierlijke eiwitten af kan en dat ik er dan ook oprecht meer van geniet. En beter mijn best doe in het bereiden er van. Ik zie ook een kleine paralel met hoe ik denk over mijn logge lijf en hoe ik me voel. Toch trap ik iedere keer weer in die val die vleesverslaving heet. Het wordt weer tijd dat ik er wat bewuster mee omga, al verdenk ik ook onze genetische samenstelling ergens van inmiddels. Wetenschappelijk totaal verwaarloosbaar wat ik nu ga inbrengen, maar ik doe het toch. Er zijn hier twee minimensen in huis. Al een tijdje nu. Een meisje en een jongen. De kleine meid heeft totale desinteresse in vlees, altijd al gehad. De jongen daarentegen verandert in een soort prehistorische Bam-Bam zodra ie alleen al het gespetter in de pan hoort van een stukje vlees wat ik daarin laat glijden.

Een verslaving in de maak. Ik weet immers wie zijn vader is. Tijd om zelf weer eens aan de rem te trekken en het goede voorbeeld te geven. Anders staat die miniman straks over een jaar of achttien ook met zijn fakkel te protesteren bij de poort van een grote producent van Vegan producten. De wereld op zijn kop dat natuurlijk. Vlees eten is geen verplichting, net zo min als dat het totaal verbannen moet worden.

#696 Ik ben niet moe

De oudste minimens lijkt nu toch echt over haar middagslaapjes heen. Alhoewel, bij opa en oma slaapt het klaarblijkelijk toch net iets fijner dan thuis, want daar gaat ze na de lunch nog steevast tegelijk met haar broertje en neef naar boven voor een klein dutje. Thuis gaat ze de laatste paar dagen alleen nog maar voor de vorm even een minuut of vijf met haar knuffeldoekje het bed in. ‘Even rusten’ zegt ze dan, om me na die tijd snel weer naar boven te dirigeren zodat ik haar kan helpen met aankleden.

Haar broer hecht echter nog zeer aan zijn siësta en dus breekt voor mij nu ook een nieuwe fase aan. Even aftasten hoeveel entertainment er van mijn zijde nodig is wanneer we dus niet op pad kunnen omdat er boven nog eentje ligt te snurken. De sous-chef is net vertrokken naar Rotterdam voor een dagje North Sea Jazz, dus de bijna-kleuter en ik zijn ongeveer de komende anderhalf uur aan elkaar overgeleverd. Voorlopig vermaakt ze zich opperbest met de inhoud van een goodiebag van een feestje van gisteren, worden er wat boekjes naar de bank gesleept en wordt het restantje lunch wat ik voor haar bewaard had nog even naar binnen gewerkt.

Het is stil en tot op heden fluistert ze alles, waarschijnlijk in de veronderstelling dat ik de stilte wel waardeer. Niet geheel onwaar. Ik kijk af en toe stiekem naar haar en zie wat flauwe oogjes. Als ze doorheeft dat ik naar haar kijk komt er prompt een ‘Ik ben niet moe hoor papa!’ uit en veert ze weer op. De pop is als volgende aan de beurt en wordt zorgvuldig voorzien van een nieuwe luier. Tussendoor vertrekt ze ook zelf nog even naar de WC. Ik mag alleen nog even op komen draven om de moeilijk knoop aan haar broek weer vast te doen, nadat ik haar ook heb geholpen met het afscheuren van wat WC-papier. Ze zegt tegen iedereen die het maar horen wil ‘Ik ben al bijna vier jaar, in oktober word ik vier en mag ik naar de basisschool, ik ben al een grote meid!’

Dat is ze zeker. Al word ik me er iedere keer bewuster van dat oktober voor zo’n mensje wat hier nog geen vier jaar rondbanjert nog heel lang duurt. Gelukkig heeft ze dat besef op voorhand zelf nog niet en is ‘oktober’ alleen nog maar een woord voor haar. Voor mij is oktober echter helemaal niet zo ver weg meer en denk ik dus af en toe ‘In oktober mag ze al naar school’. Iedere dag, daar heeft de kleine dame zich al meermaals van verzekerd. ‘En naar de BSO!’ komt er dan automatisch achteraan. Voor haar kan het niet snel genoeg oktober zijn.