#700 Polariteit

Gister werd me gevraagd of ik nog veel schrijf. Mijn hoofd schiet dan meteen in de veroordelende modus, en het welbekende stemmetje roept dan ‘Neeeee, veel te weinig!’ Dat is dan niet wat er uit mijn mond komt. Meestal is dat een antwoord als ‘Ja wel weer steeds meer’. Wat ook gewoon waar is, maar niet zo voelt. Ik vind mijn schrijftempo op dit moment veel te laag. Ik heb immers ambities.

Valse ambities waarschijnlijk. Wat niet wegneemt dat ik deze plaats, de plaats waar ik mijn woorden publiekelijk maak, wat vaker kan opzoeken. Ooit maakte ik hier afspraken met mezelf en lazen er mensen mee. Dus werd het echt. Geen idee of ik dat nu weer ga doen, maar het voelt alsof het eraan zit te komen. Er is dusdanig veel om over te schrijven namelijk, dat ik vaak overweldigd ben door de gratis stroom van onderwerpen om aan te grijpen dat ik meestal maar besluit het er helemaal bij te laten zitten. Of ik ben gewoon bang. Bang voor weerwoord. Kritiek. Noem het hoe je het noemen wilt. Het is er allemaal.

Schrijven helpt me ook mijn eigen ideeën en kijk op de wereld helderder te krijgen. Al schrijvend, soms in gesprek met mezelf, loop ik tegen dingen aan die ik nog zo zag, of nog niet zo wist. Het stomme is dan vaak wel, dat wanneer ik daar bewust naar op zoek ben, een verhaal nooit die wending neemt. Zoals nu. Geen idee waar ik heen wil met dit lapje tekst, maar er stromen ook geen mooie zinnen een bepaalde richting uit. Er worden geen paden betreden die ik nog nooit gezien heb. Gisteren ging een gesprek over onze comfort zones en dat we daar eigenlijk helemaal niet uit hoeven. Dat is waar. Maar ook helemaal niet waar. En wie bepaald eigenlijk wat die comfort zone is. Dit wat ik hier doe, doe ik inmiddels al jaren, maar toch voelt het nog iedere keer oncomfortabel wanneer ik op de knop ‘Publiceren’ duw en een stukje van mijn persoonlijke hersenspinsel de wereld in slinger.

Valt deze hobby, deze bezigheid dan binnen de comfort zone (want: ik doe het al jaren), of valt deze er buiten (want: iedere keer opnieuw een beetje een schijtlijster). Ik denk allebei. Ze houden elkaar in balans. Ze zijn er gewoon. Zoals eigenlijk niets zwart wit is. Alles is allebei. Toch nog ergens aanbeland in deze 700ste. Niet ver meer van de 1.000 dus (en tegelijk nog heel ver). Meteen een mooi doel.

#699 Iets wat ik kon doen

Ik kwam thuis aan op de fiets. Die zette ik meteen in de schuur. Die stond al open want op woensdagen wordt er meestal geklust. Door opa. Ik was als eerste terug van ons bezoek aan het ziekenhuis om de hoek. De sous-chef en ik waren daar met de oudste minimens. Die heeft coeliakie en het was tijd voor een check. Uitslagen van het inmiddels al zoveelste bloedonderzoek waren binnen en ze mocht weer even op de weegschaal en langs de meetlat. In een jaar tijd is ze getransformeerd van een bijna vel over been en teneergeslagen schim van een peuter, naar een goed gevulde flierefluiter vol energie en constante eetlust. Fijn om te zien dat alle lijntjes en grafieken die ombuiging ook laten zien op het computerscherm van de kinderarts. We mogen nog wel een keertje extra terug de komende maanden, want een van de waardes van haar schildklier waren niet helemaal in de haak. Niks van te zeggen nog. Keertje extra bloed prikken en checken. So be it.

Terwijl ik uit die situatie stap en vanuit de schuur naar binnen wil lopen, zie ik een doosje staan op de tuintafel bij de achterdeur. Niks bijzonders, daar worden wel vaker pakketjes neergezet door de bezorgers die hier voor een dichte deur staan, of door ons zelf, uit luiheid of omdat we eigenlijk met iets anders bezig zijn terwijl we het pakketje aannemen. Ik zag het bruine kartonnen doosje staan en wist direct wat het was. Sterker nog, ik had op de fiets al gehoopt of verwacht dat het er zou staan. Afgelopen maandag heb ik de bijzondere inhoud besteld en had het online bestelformulier al aangegeven dat ik het woensdag, vandaag dus, thuis kon verwachten.

Ik maak het open, vol nieuwgierigheid naar of het echt zo geworden is zoals ik het heb ontworpen en afgestemd met de eigenaar en haar tolk. Vijftig kaartjes zitten erin het pakketje. Mooie kwaliteit vierkante dubbelgevouwen kartonnen kaartjes met daarop de aankondiging van de geboorte van een tweeling. Twee jongetjes. In Nederland bekend als een geboortekaartje, ik hoef dit verder niet uit te leggen. Hier is deze traditie alom bekend. En dit is niet overal ter wereld zo. Dit wist ik niet toen ik met het idee liep en voorstelde om, net als voor onze eigen twee mini’s een dergelijk kaartje te ontwerpen en te laten drukken voor iemand die dat misschien wel zou kunnen gebruiken. Gewoon omdat ze hier pas net is. Net woont. In dat zelfde ziekenhuis waar ik net vandaan kom. In een leegstaande vleugel van dat gebouw. In een land dat ze voorheen waarschijnlijk alleen kende van een keer een verdwaald nieuwbericht op de nationale televisie, of van een topografielesje op de basisschool. Geen idee, ik heb het haar nog nooit gevraagd.

Ik heb haar eigenlijk alleen maar gevraagd wat voor spullen ze nog kon gebruiken voor haar twee aanstaande jongens. Kleding, hydrofiele doeken, speelgoed, maxi-cosi’s, draagzakken, dat soort werk. Die spullen hebben we een tijdje terug onder onze vrienden, kennissen en familie allemaal verzameld en daar gebracht. Ze was er erg blij mee. Voor ons een kleine moeite. En later dus dat idee van een geboortekaartje. Dat wilde ze wel, dat leek haar erg mooi! Toen ze hier op een zaterdag ergens in mei of juni, ik weet het niet precies meer, hier bij ons thuis op de bank zat samen met haar tolk, begreep ik pas dat ze compleet onbekend was met dit fenomeen. Het geboortekaartje. In haar land was dat geen traditie, geen gebruik. De sous-chef haalde daarop een tas met alle bewaarde geboortekaartjes van onze dierbaren van de afgelopen jaren uit de kast en ze bewonderden ze allemaal een voor een.

Ze wist wat ze wilde, subtiel de Oekraïense vlag en de Nederlandse vlag ergens verwerkt, had een aantal voorbeelden die ze mooi vond en ik dus kon aan het werk. Een ontwerp maken aan de hand van die wensen, wat voorbeeldtekst erin voor als de tweeling straks echt geboren zou zijn en de kaart verder gevuld kon worden met alle juiste informatie. Daarna was het wachten. Een maand geleden werden de boys geboren. Gezond en wel heb ik vernomen. Het contact gaat altijd via haar tolk. De welkomsttekst wilde ze pas schrijven zodra ze de jongens had gezien. Ik begreep dat. Deze tekst heb ik nog verwerkt, in twee talen, en nu zijn ze er dus. De kaartjes voor een tweeling geboren in een vreemd land, een vreemde stad, met mensen die een vreemde taal spreken. Hun vader nog altijd in Oekraïne. Net als ik een vader van jonge kinderen. Een vader op afstand. Een vader vol onzekerheid over zijn eigen leven, in de wetenschap dat zijn vrouw ongeveer 2.000 kilometer van hem vandaan het leven heeft geschonken aan twee van zijn zonen. Broertjes van zijn dochter en andere zoon.

Het maakt me klein en nederig dat ik dit heb kunnen doen. Ik kan alleen maar hopen dat het iets bijdraagt. Iets kleins. Een nieuwe traditie misschien wel? Of misschien wel niks. Ik weet het niet. Ik zal zo een berichtje sturen dat de kaartjes binnen zijn en afstemmen wanneer ik ze kan komen brengen. Daar in dat ziekenhuis hier om de hoek. Dat ziekenhuis met zijn vele functies. Het ziekenhuis waar het ene kind komt voor regelmatige bloedcontroles en dan met haar vader en moeder weer naar huis fladdert. Het ziekenhuis waar het andere kind geboren wordt, samen met zijn broertje, zonder enig idee of ze hun land, hun vader, hun vaderland ooit zullen zien. Ik hoop dat wij met zijn allen, degene die alles hebben, dat af en toe kunnen blijven inzien en van daaruit iets kunnen ontwaren wat we voor anderen, die dat misschien wat minder, of wat veel minder hebben, kunnen betekenen. Welkom jongens! Welkom in de wereld. Welkom in de tijd.

#698 Miniatuur wetenschapper

De dochter van drie zit op mijn linkerbovenbeen. Ik zit op de grond in haar slaapkamer. Ze duimt. Ze friemelt wat aan haar gele knuffeldoekje. Ik lees voor uit een door haar gekozen boekje. Het is bedtijd. Vandaag viel de keuze op ‘Glutenvrij feestje’, over Teijn, die net als de oudste minimens zelf niet zo goed tegen gluutjes kan. En dat je dat best stom mag vinden soms. En dat je dan toch feestjes kunt geven.

Halverwege het verhaal, wat ze inmiddels beter kent dan ik, merk ik dat haar aandacht verslapt. Hoe vaak ze een verhaaltje ook heeft gehoord, hoe vaak ik het ook voorgelezen heb, op evenzoveel verschillende manieren, ze zit er altijd helemaal in en voorziet het waar nodig van commentaar of probeert iets nieuws te ontdekken. Aan hoe ik het lees, de toon, de snelheid of soms een woord wat er niet hoort. Aan de prenten. Of middels een koppeling aan iets anders wat ze inmiddels geleerd heeft. Een verhaal is nooit hetzelfde. Een situatie is nooit dezelfde. Een rivier is geen moment hetzelfde. Heraclitus wist dit al.

Door deze volle aandacht merk ik het op mijn beurt dus direct als er iets aan de hand is. Nu duurt het meestal even voor ik door heb wat dat ‘iets’ dan is, maar nu kwam het snel aan het voetlicht. Ze keek naar mijn T-shirt. Een vrij nieuw, niet zoveel zeggend, dertien in een dozijn, blauw wit gestreept H&M’tje. ‘Jouw shirt is toch wit en blauw?’ zegt ze verbaasd. Dat klopt denk ik, dat is hij ook, maar ik wil niet bijdehand doen, dus ik wacht nog even wat er nog meer komt. ‘Nu is hij geel met blauw’, volgt er al snel.

Ik kijk er eens naar en ze heeft gelijk. Door de lichtinval van haar kroonluchtertje aan het plafond zijn de witte strepen van mijn shirt deze keer vele malen geler dan ik ze tot nu toe zag. Omdat ik nooit de beroerdste ben om dingen eens goed te mansplainen leg ik haar uit dat wit soms een beetje een andere kleur kan worden door lampen of door de zon. Zoals nu. Ze kijkt me daarop aan met een blik alsof ik zojuist gezegd heb Peppa Pig eigenlijk een beer is. Een inhoudelijke reactie blijft verder uit en we lezen weer verder over Teijn en zijn gluten.

Nog geen bladzijde verder staat ze opeens op, loopt naar de lichtknop en doet haar lamp uit. Het is wat donker nu, maar wel natuurlijker verlicht. Ze loopt terug naar mij en onderwerpt mijn shirt nogmaals aan een grondige inspectie. Ze knikt eindelijk instemmend met mijn hypothese en antwoordt op bevestigende toon ‘Zo, nu is hij weer wit!’. Onderzoek afgerond. Ik kijk wat naar haar terwijl ze de lamp weer terug aan gaat doen en daarna alsof er niks is gebeurd weer plaatsneemt op mijn schoot. Ik kijk van boven wat naar de miniatuur wetenschapper van drie die inmiddels weer geniet van haar duim en haar knuffeldoekje en vraag me af wat we allemaal nog meer samen gaan onderzoeken!

#697 Vlees eten

Vlees. Ik eet het graag. Ik geef het ruiterlijk toe. Ik eet er ook veel van weer op het moment. Er is een periode geweest dat ik er veel bewuster mee omging dan dat ik nu doe. Het lijkt wel schranzen soms. Of is het dat ook gewoon? Waarschijnlijk wel. Onze vriezer ligt vol met biologisch vlees. Heel bewust (ja ik weet het, dit is niet per se beter voor de planeet, maar wel heul heul veel beter voor het dier in kwestie). In een normale week (bestaan die nog?) betekent dat dus dat ik er een avond van tevoren of op de ochtend een pakje met twee stukjes vlees van een koe, kip of varken uithaal. Nu is ons leventje vaak wat gehaast, lopen de dagen net iets anders dan vooraf bedacht, ontstaan er spontane ideeën die andere plannen in duinen laten vallen of ben ik soms gewoon ronduit lui.

In al die gevallen betekent het vaak, even snel nog iets halen bij de supermarkt, de thuisbezorgd-app aanslingeren, of aanschuiven bij een andere grillmeister. Zeker tijdens drie weken vakantie en de nasleep daarvan. Heerlijk natuurlijk, maar voor je het weet vreet je wekenlang alleen maar meer vlees in plaats van minder en wordt dit dus snel het nieuwe normaal. ‘Zoek het dan helemaal maar uit’ hoor ik een duiveltje op een van mijn schouders dan al snel roepen en voor ik het weet ligt de koelkast weer vol met de goedkoopste bereidingen van afvalvlees die onze Nederlandse cultuur rijk is en vreet ik het plastic van de leverworsten er nog net niet bij op.

Ik weet van de periodes in het verleden dat het wel lukte dat ik prima met iets minder dierlijke eiwitten af kan en dat ik er dan ook oprecht meer van geniet. En beter mijn best doe in het bereiden er van. Ik zie ook een kleine paralel met hoe ik denk over mijn logge lijf en hoe ik me voel. Toch trap ik iedere keer weer in die val die vleesverslaving heet. Het wordt weer tijd dat ik er wat bewuster mee omga, al verdenk ik ook onze genetische samenstelling ergens van inmiddels. Wetenschappelijk totaal verwaarloosbaar wat ik nu ga inbrengen, maar ik doe het toch. Er zijn hier twee minimensen in huis. Al een tijdje nu. Een meisje en een jongen. De kleine meid heeft totale desinteresse in vlees, altijd al gehad. De jongen daarentegen verandert in een soort prehistorische Bam-Bam zodra ie alleen al het gespetter in de pan hoort van een stukje vlees wat ik daarin laat glijden.

Een verslaving in de maak. Ik weet immers wie zijn vader is. Tijd om zelf weer eens aan de rem te trekken en het goede voorbeeld te geven. Anders staat die miniman straks over een jaar of achttien ook met zijn fakkel te protesteren bij de poort van een grote producent van Vegan producten. De wereld op zijn kop dat natuurlijk. Vlees eten is geen verplichting, net zo min als dat het totaal verbannen moet worden.

#696 Ik ben niet moe

De oudste minimens lijkt nu toch echt over haar middagslaapjes heen. Alhoewel, bij opa en oma slaapt het klaarblijkelijk toch net iets fijner dan thuis, want daar gaat ze na de lunch nog steevast tegelijk met haar broertje en neef naar boven voor een klein dutje. Thuis gaat ze de laatste paar dagen alleen nog maar voor de vorm even een minuut of vijf met haar knuffeldoekje het bed in. ‘Even rusten’ zegt ze dan, om me na die tijd snel weer naar boven te dirigeren zodat ik haar kan helpen met aankleden.

Haar broer hecht echter nog zeer aan zijn siësta en dus breekt voor mij nu ook een nieuwe fase aan. Even aftasten hoeveel entertainment er van mijn zijde nodig is wanneer we dus niet op pad kunnen omdat er boven nog eentje ligt te snurken. De sous-chef is net vertrokken naar Rotterdam voor een dagje North Sea Jazz, dus de bijna-kleuter en ik zijn ongeveer de komende anderhalf uur aan elkaar overgeleverd. Voorlopig vermaakt ze zich opperbest met de inhoud van een goodiebag van een feestje van gisteren, worden er wat boekjes naar de bank gesleept en wordt het restantje lunch wat ik voor haar bewaard had nog even naar binnen gewerkt.

Het is stil en tot op heden fluistert ze alles, waarschijnlijk in de veronderstelling dat ik de stilte wel waardeer. Niet geheel onwaar. Ik kijk af en toe stiekem naar haar en zie wat flauwe oogjes. Als ze doorheeft dat ik naar haar kijk komt er prompt een ‘Ik ben niet moe hoor papa!’ uit en veert ze weer op. De pop is als volgende aan de beurt en wordt zorgvuldig voorzien van een nieuwe luier. Tussendoor vertrekt ze ook zelf nog even naar de WC. Ik mag alleen nog even op komen draven om de moeilijk knoop aan haar broek weer vast te doen, nadat ik haar ook heb geholpen met het afscheuren van wat WC-papier. Ze zegt tegen iedereen die het maar horen wil ‘Ik ben al bijna vier jaar, in oktober word ik vier en mag ik naar de basisschool, ik ben al een grote meid!’

Dat is ze zeker. Al word ik me er iedere keer bewuster van dat oktober voor zo’n mensje wat hier nog geen vier jaar rondbanjert nog heel lang duurt. Gelukkig heeft ze dat besef op voorhand zelf nog niet en is ‘oktober’ alleen nog maar een woord voor haar. Voor mij is oktober echter helemaal niet zo ver weg meer en denk ik dus af en toe ‘In oktober mag ze al naar school’. Iedere dag, daar heeft de kleine dame zich al meermaals van verzekerd. ‘En naar de BSO!’ komt er dan automatisch achteraan. Voor haar kan het niet snel genoeg oktober zijn.

#695 Ik weet pas wat ik zoek zodra ik het vind

Dit is wat ik een paar weken geleden antwoordde aan een vrijwilliger. Deze vrijwilliger had op dat moment dienst in de winkel die ik de laatste tijd een aantal keer per week aandoe. Nooit was ik er voorheen binnen geweest. Of althans misschien ooit eens een keer verdwaald met iemand mee in een ver verleden, want helemaal onbekend was het me niet. De winkel had ik echter nooit in het vizier. Ik had daar ook geen reden toe voor een lange periode van mijn leven. Ik las niet. Of althans niet dusdanig veel dat het op een verslaving begint te lijken.

Boeken kocht ik gewoon nieuw. Af ent toe. In de boekhandel, op het station, op het vliegveld, of via Bol.com. Simpel als dat. Later ontdekte ik de bibliotheek opnieuw. Door toedoen van de minimensen die in mijn leven kwamen. De stapels boeken in huis groeiden gestaag. Ik besloot er zelfs mijn werk van te maken. En op een gegeven moment las ik zonder dat ik er erg in had drie boeken tegelijk. Eentje voor de avonden, eentje voor de ochtenden en nog eentje voor tussendoor, voor de momenten waarop die andere twee eigenlijk niet paste bij het moment of de stemming.

Zo is het eigenlijk nog steeds. Ik lees drie of meer boeken tegelijk, plus vaak nog een verdwaalde poëziebundel die af en toe open gaat. Ik sta er inmiddels weer vroeger voor op. Ochtenden zijn er voor de ideeën, goede of slechte dat maakt niet uit. Mijn hoofd staat dan net aan en consumeert in rap tempo de ideeën en wereldbeelden ooit al eens door anderen neergepend. Mijn hoofd doet later op de dag, later in de week, of op een moment dat ik het al niet meer verwacht de rest. Het brouwt dan van al die eerdergedachte dingen een eigen idee. Een eigen inzicht. Mijn beeld. Denken wordt dat genoemd volgens mij. Het lijkt erop alsof ik nu pas, nu ik net 36 ben geworden, begin door te krijgen wat dat betekent: denken.

De avonden zijn voor de verhalen, de fanatasiewerelden van andere schrijvers, scheppers. Soms zo levendig en echt dat je je de hoofdpersoon waant. Of dan op zijn minst alsof je van een afstandje mag kijken. Verhalen die je terugvoeren naar eigen ervaringen in de stad waar het verhaal zich afspeelt. Pijn die je voelt omdat je ooit iets soortgelijks hebt meegemaakt. Of trots omdat je die situatie heel wat handiger afhandelde dan die fictieve persoon op die volgeschreven pagina’s. Poëzie die ik niet begrijp. Al denk ik niet dat het de bedoeling is dat je dit probeert te begrijpen.

Al die boeken leveren werelden op gebouwd door de schrijvers. Die weer andere schrijvers en hun werelden gebruiken in die verhalen. Nieuwsgierig naar die verhalen blijf ik op zoek. Wil ik meer, groeit de boekenlijst en wordt mijn eigen wereld, de echte wereld met ieder verhaal weer een stukje mooier en groter. Of valt er weer een puzzelstukje op zijn plek. Of rijst er een vraagteken, een drang om iets te weten van iets voorheen totaal onbekends. Die honger te stillen met de aankoop van nieuwe boeken werd een dure hobby. En omdat sommige boeken toch echt in de kast moeten staan voor een nu nog onbekend moment van ‘Ja nu is het tijd voor dit verhaal!’ is dit ook niet helemaal af te vangen met de oneindige collectie van de bibliotheek.

En dus belandde ik bij de tweedehands boekenwinkel in onze stad. En de vrijwilligers die deze winkel mogelijk maken. Wat ik daar zoek? Verhalen die ik tegen ben gekomen in andere verhalen. Werelden waarvan ik heb gehoord dat ze bestaan. Of iets anders. Ik weet het vaak niet. Zoals ik daar zei: ‘Ik weet pas wat ik zoek zodra ik het vind’. Nu pas snap ik dat dit net zo goed geldt voor de winkel zelf.

#694 Buuuuurfrouw

Dinsdagen zijn van opa en oma. Dat weten de mini’s inmiddels wel. De oudste vraagt ’s ochtends wanneer ze wakker wordt en opstaat steevast ‘Waar gaan we vandaag naartoe?’. De laatste tijd is er steeds vaker een teleurstelling op haar gezicht te bespeuren als ik aangeef dat we nergens heen gaan omdat papa niet hoeft te werken. Dat is op vrijdagen. Vandaag is het dinsdag, dus het antwoord op haar vraag is vandaag ‘naar opa en oma!’. Gejuich stijgt op. Haar broer doet vrolijk mee.

Op die dagen wordt er druk gespeeld met de kleine neef, ook bij opa en oma op dinsdag. Dat dit kindercircus energie slurpt bij de kleine mensen is altijd duidelijk te merken. De sous-chef haalde ze vandaag op, terwijl ik thuis het diner verzorgde. Eenmaal binnen, nadat de kleine man buiten eerst nog ergens op z’n giechel ging en getroost werd door zijn zus, die haar stoel aan de keukentafel weer af klom en naar buiten rende met de woorden ‘Ik ga wel even naar hem toe’, gaf de sous-chef aan dat er in de auto al om ‘bed’ werd gevraagd.

Eerst nog eten. Dat is bij de kleine man nooit een probleem, zijn zus doet daar doorgaans wat moeilijker over. Al stonden vandaag bruine bonen op het menu, al een paar jaar onderdeel van het door haar zorgvuldig geselecteerde dieet. Nog stammend uit de tijd vóór dat we wisten dat er glutenintolerantie in het spel was. Ze had het al goed in de smiezen. Bakje yoghurt als toetje, nog één Peppa-pig filmpje en dan gaat de kleine man toch echt naar bed. Hij maakt er na het vaste bedritueel inmiddels een extra regulier item van om na het dichttrekken van de slaapkamerdeur meteen zijn speen en zijn knuffelkonijntje uit zijn ledikant te mieteren en daarna vrij duidelijk om papa, dan wel mama te roepen.

Nadat we hem vrij streng die meuk weer terug hebben gegeven en ons uiterste best doen om aan te geven dat dit toch echt de laatste keer is geweest, kiest hij eigenlijk altijd direct eieren voor zijn geld. Hij neemt dan nog even de dag door met zichzelf, duidelijk via de babyfoon te beluisteren en valt dan tevreden in slaap. Vandaag nam hij echter niet echt genoegen met ons machtsvertoon en dacht bij zichzelf ‘dan haal ik het wel ergens anders!’.

Toen de sous-chef alle knuffelmateriaal weer terug in bed had gedeponeerd en de slaapkamerdeur weer dicht zat hoorden we de kleine man vrij snel weer iets roepen. Samen spitsten we onze oren richting de babyfoon en dachten ‘horen we dit nu goed!?’. Ja we hoorden het goed, want het werd een keer of 27 herhaald, leidend tot enige hilariteit. ‘Búúúúrfrouwww’, ‘buuuuurfrouw’, hoorden we luid en duidelijk. Ook die mini komt er wel….

#693 Toch wel naar Anansi!

Op zondag is het altijd even afwachten wat er na het ontbijt met de minimensen op het programma komt. Dit is van meerdere dingen afhankelijk. Niet in de laatste plaats van mijn eigen stemming. Een verkeerd been uit bed betekent vaak dat het eerste uur op die vroege ochtend voelt als een halve dag, in een uiterst geval zelfs als een hele. Of dit bij die mini’s dan ook zo voelt weet ik niet, maar veel energie lijken we op die momenten niet van elkaar te krijgen.

Gelukkig is dit niet iedere zondag het geval en vandaag zeker niet. Al tijdens de laatste boterham wordt er door de kleinste turf ‘boekie lezen!’ geroepen. Zijn zus is het daarmee eens. Voor haar is een boek altijd een goed idee. Nu wordt er hier thuis veel gelezen en zijn er boeken in overvloed, dus enige sturing is daar sinds de geboorte van beiden zeker wel in geweest. De miniman kiest de laatste tijd steevast voor een setje van vier boekjes van Peppa Pig. Ooit op een vliegveld in Shanghai meegepikt toen zijn zus net geboren was. De kleuren, vormen, cijfers en voorwerpen staan dus ook in zowel Engels als Chinees neergepend. Nederlands is ver te zoeken. Maar goed, daar zijn de prenten voor. Geen probleem.

Terwijl de kleinste druk doende is met zijn eigen boekjes, hij leest net zo graag solo als dat hij naar mij luistert (wat ik begrijp), kiest zijn belezen zus voor het boek van Anansi de Spin. Toch al wel een favoriet, maar omdat ik tijdens het ontbijt heb verteld dat we vandaag naar een speciaal feestje gaan, in een grote bibliotheek in Nijmegen, waar ook Coco (van Coco kan het) en Anansi zijn, kiest ze resoluut voor Anansi. ‘Hé Nancy’ roept de kleine man, opkijkend van tussen zijn Peppa-lectuur als hij ons ziet aan komen lopen. Ik lees het verhaal een paar keer met haar, voor we met zijn tweeën richting Nijmegen gaan.

Heel avontuur, snelweg, windmolens, waarvan ze terloops meldt dat daar ook mensen in wonen omdat daar een trappetje en een deurtje in zitten. Een grote brug waar we over rijden en grote boten aan de Waalkade. De bibliotheek is snel gevonden en feest begint met een voorstelling van de bij haar bekende Coco. Ze heeft haar eigen Coco-knuffeltje meegenomen en fladdert met de man op het podium mee. Kleine onderbreking van de theatervoorstelling, want er moet toch echt gepoept worden, maar volgens de kleine dame zelf ‘geeft dit niks’. Ze weet toch al wel dat Coco het echt kan.

We doen wat spelletjes her en der. Opgezet en uitgevoerd door studenten. Het festival waar we zijn aanbeland, speciaal voor kletskoppen is tegelijkertijd ook een groot wetenschappelijk onderzoek. Ze knutselt wat. Houdt voor het eerst een schaar vast en spendeert daarna ruim drie kwartier aan het maken van een berg confetti. In opperste concentratie. Dat ze daarom de voorleessessie van haar favoriet Anansi mist, deert haar bepaald niet. ‘Nee hoor, ik blijf hier, even knippen’. Prima, blijven we hier, knippen.

Opeens is ze uitgeknipt en moet er geluncht worden. Niks mis met die ingeslikte kookwekker van haar. Twee boterhammen met jam achter de kiezen slenteren we verder langs de verschillende spelletjes en hoekjes. We belanden in de peuter- en kleuterboekensectie, waar op dat moment een gitarist liedjes in elkaar draait aan de hand van de wensen van zijn jeugdige publiek. Het boeit de kleine kletskop nog niet een klein beetje. Totale apathie. Een hobbelpaard, of beter een schommelpaard, wat daar ook ergens in een hoekje staat interesseert haar des te meer. Terwijl ze haar zojuist verworven rechten op dit paard ten overstaan van een andere peuter met verve verdedigt (ik sta in een hoekje te grinniken en sla het gade), wordt er vanaf de plaats waar eerst de gitarist zat door een student of een vrijwilliger geroepen dat Anansi zometeen komt!

Wat een geluk, nog een keer Anansi. Ze hoort het zelf ook, terwijl ze de teugels nog strak in handen heeft (zoals altijd eigenlijk) en glundert naar me: ‘Papa Anansi komt toch!’. En ze stijgt af en zoekt een plaats op een van de kussens geposteerd voor de grote stoel waar zo de voorlezer zal plaatsnemen. Degene die het verhaal tot leven komt wekken is degene die dat ook daadwerkelijk heeft gedaan: de auteur! Dus, na een versie van het verhaal, waar mijn variant thuis op de bank compleet door wordt weggevaagd, kan ze zelfs haar eerste handtekening scoren! Het boek moest van haar immers mee in mijn rugzak. En vooruit, anders had ik hem er zelf wel in gestopt. Met rode wangen stapt ze op de schrijver af en kijkt dan verlegen naar mij. Ik vraag of hij wat voor haar wil schrijven. ‘En voor mijn broer’ zegt ze dan zelf. Kletskoppen zijn ze allebei, vaak alleen stil te krijgen door goede verhalen, of door de schrijver in dit geval.

#692 Lopend geheugen

Het hotel keek uit over de haven van Tokyo. Grote kranen om containers te lossen van de immense vrachtschepen reden over de kade van grijs, bijna kleurloos grijs beton. Herkenning vond ik in die schepen. Schepen die werden geconstrueerd, gefabriceerd met hulp van machinerij die in Nederland word gemaakt. Machinerij die ik daar kwam voorstellen aan iedereen die het maar zou willen horen. Handelsreiziger. Via een gebruikelijke tour over het Japanse trein- en metronetwerk had ik dit hotel zojuist te voet bereikt. Het was mijn favoriete manier van voortbewegen, wandelend. Met mijn rolkoffertje achter me aan en mijn rugzak met vooral leesvoer op mijn rug.

Anderen vroegen regelmatig waarom ik nooit een taxi nam. Ik zei dan meestal dat ik liever liep, maar dat is natuurlijk een cirkelredenering. Het nog simpelere antwoord was geweest dat ik anders niets zou zien van de indrukwekkende plaatsen waar ik voet aan de grond mocht zetten. Het gaf ook iets van rust in de gigantische metropolen die op alle mogelijke manieren aan je zintuigen voorbij trokken. En toch had die chaos in zichzelf ook iets rustgevends. Iets intimiderend rustgevends zelfs. Je moest het ten volle ervaren om het te merken. Op straat. In de kakafonie van geluiden en bewegingen. In een taxi ervaar je dat niet. En omdat de doorsnee taxi-chauffeur in Japan vier woorden Engels spreekt hoefde je dat voor de diepe gesprekken ook niet te doen.

Waar mijn hotelkamer zelf op uitkeek kan ik me niet herinneren, vast een muur van een aangrenzende kantoortoren, maar de bar, annex ontbijtrestaurant keek uit op de baai. Die industriële baai. Mooi in zijn lelijkheid. Er hing een vage laag smog en thermiek over die baai. Het was drukkend warm, zoals het daar kon zijn. Ik zag het beursgebouw in verte waar mijn leven zich de komende dagen zou afspelen al opdoemen. Moderne architectuur die ik niet begreep. Maar misschien hoeft dat ook niet. Een omgekeerde piramide, zwevend boven de grond, gedragen door vier immense staanders. De naam van het gebouw kende eenzelfde pompeuze keuze, ‘Tokyo Big Sight’ was het gedoopt. Een van de vele continue harmonieuze botsingen tussen stokoude, vaak mystiek aanwezige geschiedenis, met ultramoderne, neon-doorspekte, schreeuwende popcultuur. Het werkte daar. Het fascineerde me mateloos.

Het eerste wat ik na aankomst in een hotel dan ook altijd deed, na het herschikken van zo’n beetje alle meubels en het opruimen van alle rondslingerende losse spullen en folders, was meteen weer die stad in lopen. Alleen. De ondergrondse metro-stations, brede moderne winkelstraten, afgewisseld met donkere smalle steegjes vol met pijpenlades waar gedronken, gegeten, gerookt en geroepen wordt. Dat ritueel had ik al achter de rug, evenals de daaropvolgende eerste nacht na de aankomstvlucht. Die steevast gepaard ging met een rare vorm van insomnia, die toch de nodige rust bracht. Een mentale staat die niet zou misstaan in een Murakami-verhaal in mijn rugzak. Het was dag twee en ik moest deze keer echt een rondje rennen in het keizerlijke park midden in die immense stad. Dat had ik mezelf na de vorige keer hier ingeprent.

In hetzelfde hardloopkloffie als waarin ik nu achterover geleund op de bank hang met een laptop op mijn schoot, stapte ik dus de metro in. Op naar het centrum. Niemand die er ook maar van op keek in de wagon waar ik in terecht kwam. Die ervaring had ik inmiddels wel. Iedereen is druk met een eigen wereld. Uiteraard op telefoons, tablets, maar ook, ontzettend veel in boeken. Daar pas heb ik geleerd waarom een pocket een pocket heet. Het boek wat in een jaszak past. Iedereen leest daar. Geen idee wat, maar er wordt gelezen. En veel.

Dat park vond ik uiteindelijk makkelijk weer terug en na een valse start in een deel waarin absoluut niet hardgelopen mocht worden, dat wist zelfs een bewaker zonder Engels me snel duidelijk te maken, vond ik iets wat duidelijk een parcours was. Asfalt zelfs. En, alleen maar hardlopers die zich erop bevonden. Ik begon eraan zoals met zoveel, ik begon gewoon, zonder er al teveel over na te denken. Halverwege kwam ik dus ook tot de ontdekking dat ik tegen de stroom in liep. Er was een vastgestelde looprichting. Logisch wel. En een heldere verklaring waarom ik nog niemand had ingehaald of zelf was ingehaald. Vooral dat laatste. Ik kreeg het heel even warm, maar heb het rondje van exact vijf kilometer (zoals ik later uit het hardloopboekje van mijn held Haruki Murakami zou leren) maar gewoon afgemaakt.

Wat me naast dat het goed is voor mijn lijf toch iedere keer, na een korte of een langere periode van helemaal niet gerend te hebben toch iedere keer weer die sportschoenen laat aantrekken zijn herinneringen als deze. Herinneringen die levensecht zijn en het Tielse landschap, wat me vaak niet bewust meer opvalt op sommige momenten laat transformeren tot een andere wereld. Lopende herinneringen. Een lopend, doorlopend geheugen.

#691 Directeurs zijn mannen papa

De oudste mini begint zo links en rechts kennis te maken met de wereld van de grote mensen. Ze vangt er in ieder geval zo nu en dan wat over op, slaat dit ergens op om het dan later, vaak wanneer ik er niet op bedacht ben, perfect getimed weer uit de kast te trekken. Regelmatig moet ik goed nadenken wat ik voor respons geef op de filosoof van drieënhalf jaar, want vaak is er geen speld tussen haar argumentatie te krijgen. En de keren dat ik het mezelf er makkelijk vanaf heb gemaakt met een simpel ‘nou gewoon daarom’ krijg ik al een jaar keihard terug in mijn gezicht, ‘Daarom is geen reden papa’. Tegenwoordig zelfs gevolgd met een ‘dat weet je toch wel!?’.

Nee deze leid je niet zomaar om de tuin. Ook in gesprekken mengt ze zich regelmatig als er iets niet strookt met haar beeld van de wereld, met wat ze tot nu weet of heeft gehoord van de ‘grote’ mensen om haar heen, of wanneer ze dit juist even wil checken. Toen haar broertje, ergens dit weekend, zittend aan de eettafel een nogal bijdehand gezicht trok en me behendig dirigeerde om toch vooral heel snel zijn drinkbeker aan te geven waar hij zelf niet bij kon, reageerde ik met de opmerking ‘nou lukt het directeur!?’.

De minimens aan de andere kant van de tafel slingerde meteen een vraag op tafel waarin nogal wat besloten ligt: ‘Directeurs zijn toch mannen papa?’. Verrast door deze opmerking, want dit hoor ik mezelf, of de sous-chef niet zo snel zeggen, antwoord ik haar dat ook meisjes directeur zijn en dat op papa’s werk én op mama’s werk er een meisjes-directeur is. En dat zij ook directeur kan worden later. ‘Of danseres’ voegt ze er zelf snel aan toe, of ‘Albert’, wat hier in huis synoniem staat voor bouwvakker. Onze aannemer heet namelijk Albert en sinds de laatste verbouwing hier zijn alle bouwers dus ook ‘Alberts’ en ze wil regelmatig later zelf ook ‘Albert’ worden.

Het kan allemaal, maar blijkbaar is het kleine wereldje waarin ze zich nog maar begeeft nu al vol van rondzwervende vooroordelen en stereotypes. Gelukkig neemt ze zoals ik al zei niks zomaar voor waarheid aan, van niemand niet en mogen wij meestal ook nog een kleine duit in het zakje doen voor ze haar eigen oordeel velt. Snel van tafel af, nagels lakken, want dat had mama beloofd. ‘Ook naaffels lakke’ roept de andere kleine directeur vanaf zijn kant van de tafel. Ja ook nagels lakken. ‘Nagels lakken is voor meisjes’ zegt zijn zusje, ‘dat zeggen ze bij de kindjes’, oftewel: de opvang. Niet te lang over lullen, lakken die teennagels, allebei de mini’s, mama was al voorzien en de kleine teen aan mijn linkervoet is nu ook mooi paars.

Directeuren dragen nagellak, welk vakje ze ook aankruisen.